In het voorjaar van 1947 kwam ik met mijn moeder en broertje in de Kruidenbuurt terecht. Het was in de tijd van de wederopbouw na de oorlog.
Hoewel Eindhoven al in september 1944 bevrijd was, hebben wij moeten wachten als Limburgse evacués in Groningen, tot mei 1945. Ik had in Venlo, Arcen en later in Groningen de barre oorlogswinter meegemaakt, bij bombardementen en beschietingen moeten rennen voor mijn leven, ik was mijn vader verloren en heel veel vriendjes en vriendinnetjes, dus ik zou, naar de maatstaven van tegenwoordig, aardig rijp zijn geweest voor een heel legertje psychische hulpverleners.
Voor ons niets van dat alles. Schouders eronder en verder leven was het motto. Omdat ik als kind gewend was geraakt aan kapot geschoten dorpen en steden, viel het me in de Kruidenbuurt direct op dat alles zo heel was. Jawel, er was een bomkrater achter de meisjesschool, de Biesterweg en de Demer lagen nog aan puin, maar de Kruidenbuurt was gaaf. En veel verder kwam je immers niet.
Het was wel raar om van het Limburgse en Groningse platteland in een stad te komen wonen. Maar dat wende al gauw.
We woonden destijds in de 2e Lavendelstraat naast Berend en Koertje Schmaal en de familie Chambonée. Een groot gezin, allemaal heel muzikaal. Ze hadden – stel je voor! – een grammofoon met veel platen. Zoon Jan hield duiven achter in de tuin en in zijn schuurtje knutselde hij aan radio's. Elke vrije zaterdagmiddag en zondag draaide hij daar zijn plaatjes, vooral Will Glahé's accordeonmuziek is me altijd bijgebleven. 'Allee, allee, ik ben de gekke Chambonée' zong hij voor alle kinderen. Echt de grapjas van de buurt, altijd gezellig.
Al gauw waren we met een vast groepje vriendjes en vriendinnetjes. Ik herinner me Ad, Truus en Tonny Chambonée, Johan en Willy Emers, Gees en Broer Schmaal, Corrie Quint, Ria Houtman (en nog meer zussen), Annie Verhoeven, Annie Jansen, Helma v.d. Laar… Vergeet ik iemand? We deden allerlei spelletjes met heel weinig materiaal, want alles was nog schaars, moest nog op gang komen na de oorlog.
Er was bijvoorbeeld 's morgens tussen 9 en 11 uur en 's middags tussen 2 en half 4 (zo ongeveer, precies de tijden weet ik niet meer, wie wel?) nog geen stroom. Maar elektrische wasmachines waren er toch niet, ook geen TV, zelden radio (waarop toch nog niet zoveel uitgezonden werd), en praktisch geen elektrische apparaten in huis. De stroom kreeg je trouwens op dubbeltjes via de meter in de gang. Gas ging eerst op kwartjes, later op speciale munten. Muntjes op, geen gas of stroom! Verwarming? Kolen natuurlijk, maar alleen op zaterdagmiddag en zondag werd er gestookt. Door de week zaten we in de piepkleine keuken met op het gas een plaat met gaatjes, dan had je het – zeker met een paar mensen in die kleine ruimte – al gauw warm.
Het was wel een tijd van ontdekkingen, voor alles was 'een eerste keer'. Chocolade, allerlei snoep, friet, yoghurt, ijs, noem maar op. Mijn eerste friet viel me ontzettend tegen. Ik had me er enorm op verheugd, maar tot mijn teleurstelling waren het gewoon gebakken aardappelen…! Ik had iets heel speciaals verwacht.